B. A. W. 2009

Inleiding

Waarom een nieuwe beroepscode?

In 2005 is een aantal beroepsorganisaties uit de sociaalagogische sector samen gegaan

in een nieuwe vereniging onder de naam Phorza. Zij brachten verschillende beroepscodes

mee, o.a. de activiteitenbegeleiders (NBAA), de sociaalpedagogische

hulpverleners (NVSPH) en de beroepsvereniging van Pedagogen (BVP). Een nieuwe

vereniging vraagt om een nieuwe beroepscode waarin de leden zich allemaal herkennen.

Een tweede reden voor een nieuwe beroepscode ligt in de recente ontwikkeling van

het beroep van de sociaalagogische werkers. Hierbij wordt gedacht aan: nieuwe wet

Wmo, verhoging werkdruk, commercialisering, vraaggericht werken, problemen in

de jeugdzorg, bureaucratisering, evidence-based werken, ketenzorg Deze nieuwe

ontwikkelingen stellen werkers voor nieuwe vragen en dilemma’s. Een nieuwe beroepscode

wijst hierbij een richting.

 

Doel en functie van de beroepscode:

De beroepscode geeft aan waar de sociaalagogische werkers voor staan, welke

waarden zij in hun beroepsuitoefening belangrijk vinden, waar zij trots op zijn en

waar zij op aangesproken willen worden. Belangrijke waarden zijn: integriteit, betrokkenheid/

rechtvaardigheid, een goed gevoel voor verhoudingen en relaties, respect,

vertrouwelijkheid, assertiviteit/zelfbeschikking. Uit die waarden volgen een

aantal gedragregels, die duidelijkheid geven voor het handelen:

- Als beroepskracht heb je daardoor houvast bij het handelen;

- De beroepscode geeft een leidraad, een hulpmiddel en biedt ruimte om

eigen keuze te maken;

- Als collega’s heb je zo een gemeenschappelijk richtsnoer voor onderlinge

discussie en kritische opmerkingen naar elkaar;

- Belanghebbende cliënten en organisaties weten wat zij van jou als sociaal

agogisch werker mogen verwachten en waar zij jou op kunnen aanspreken;

- De beroepscode biedt via het interne tuchtrecht, het College van Beroep en

het College van Toezicht, een basis om bij klachten over jouw functioneren

jouw handelen te toetsen en tot een uitspraak over de gegrondheid van de

klachten te komen.

 

Welke beroepen vallen onder deze beroepscode?

De beroepscode is van alle sociaalagogisch werkers. Hieronder vallen in principe alle

werkers in de sociaalagogische sector: zoals de maatschappelijk werker 1, de groepsleider/

sociotherapeut, medewerker jeugdzorg, de activiteitenbegeleider/therapeut,

ouderenadviseur, woonbegeleider, groepsleidster kinderopvang en de leidinggevende

van sociaalagogische werkers. De beroepscode is van toepassing op alle leden

van Phorza en op niet-leden die staan ingeschreven in het Beroepsregister, BAMw2.

 

De beroepscode en de bronnen

De gedragsregels in de beroepscode zijn op de eerste plaats ontleend aan de wetgeving,

die afhankelijk van de werksoort en de instelling waar de sociaalagogisch werker

werkzaam is, van toepassing is of waaraan normen voor het gedrag kunnen

worden ontleend. Te denken valt aan de juridische kaders die geboden worden in de

Grondwet: de Algemene wet gelijke behandeling(Awgb), de Wet bescherming persoonsgegevens

(Wpb), de Wet maatschappelijke ondersteuning (WMO), Wet op de

Arbeidsomstandigheden( Arbo), de Wet op de jeugdzorg, de Beginselenwet justitiële

inrichtingen en de Wet (WCBO) inzake de geneeskundige behandelingsovereenkomst.

Als tweede bron is geput uit de literatuur die het handelen van sociaalagogisch

werkers beschrijft en normeert en zijn deskundigen geraadpleegd. Als derde

bron heeft gediend de inbreng van de leden en collega-sociaalagogische werkers.

 

Relatie beroepscode en tuchtrecht

In het reglement intern tuchtrecht Phorza wordt beschreven wie er over welke gedragingen

van leden en geregistreerden kan klagen, hoe de klachtprocedure verloopt

en welke maatregelen de tuchtrechter op kan leggen. De gedragingen

waarover wordt geklaagd worden door de interne tuchtrechter getoetst aan de wettelijke

regels die op de sociaalagogisch werker van toepassing zijn en aan de beroepscode.

Naleving van de beroepscode is opgedragen aan het College van

Toezicht en het College van Beroep van Phorza.

 

Wat is het verschil tussen de beroepenstructuur, een beroepsprofiel, richtlijnen

en de beroepscode?

De beroepenstructuur beschrijft de samenhang van beroepsgroepen in het Sociaalagogisch

domein en het gedeeld gebied Maatschappelijke zorg (waarin, naast agogische,

ook verplegende en verzorgende competenties nodig zijn). Een beroepsprofiel

beschrijft de beroepsactiviteiten zoals die in de dagelijkse praktijk worden uitgevoerd.

Het profiel geeft aan welke eisen er worden gesteld aan de beroepsbeoefenaar

en wat hij hiervoor moet kunnen en kennen en over welke competenties

iemand moet beschikken in een bepaalde context. Een competentie is een geïntegreerd

geheel van kennis, vaardigheden, houding en persoonlijke eigenschappen

waarmee op adequate wijze adequate resultaten worden behaald. Competenties worden geformuleerd

in gedrag. Beroepsprofiel en beroepscode vullen elkaar prima aan. Zo staat

er in een beroepsprofiel beschreven wat iemand doet, hoe hij dat doet (gedrag) en

wat een persoon in huis moet hebben om dat gedrag te kunnen vertonen.

Een richtlijn is een document met aanbevelingen, adviezen en handelingsinstructies

ter ondersteuning van de besluitvorming van professionals in de zorg, berustend op

de resultaten van (wetenschappelijk) onderzoek met daarop gebaseerde discussie

en aansluitende meningsvorming, gericht op het expliciteren van doeltreffend en

doelmatig handelen.3 Een beroepscode beschrijft de onderliggende normen en

waarden en beschrijft wat er van een beroepskracht verwacht mag worden, welke

intenties en principes een beroepskracht heeft of moet hebben.

1 De beroepsvereniging voor maatschappelijk werkers, de NVMW, heeft een eigen

beroepsvereniging en een eigen beroepscode en verenigingstuchtrecht.

2 Voluit: het Beroepsregister voor Agogen en Maatschappelijk werkers.

3 Everdingen, J.J.E. van, Burgers, J.S., Assendelft, W.J.J., Swinkels, J.A., Barneveld, T.A. van, &

Klundert, J.L.M. van de (2004) Evidencebased richtlijnontwikkeling; een leidraad voor de

praktijk. Houten: Bohn Stafleu Van Loghum.

 

Preambule van de beroepscode

 

Wat zijn de waarden en kernkwaliteiten van het beroep sociaalagogisch werker?

Kernkwaliteiten zijn eigenschappen die tot het wezen (de kern) van een persoon behoren.

Zij ‘kleuren’ de mens, het is een specifieke sterkte waar wij bij hem of haar

aan denken. Kernkwaliteiten zijn uitingen van het Zelf waar bezieling van uit voortkomt.

Kernkwaliteiten zijn niet aan te leren, maar wel te ontwikkelen. Hoe duidelijker

beeld we van onze kernkwaliteiten hebben, des te bewuster kunnen wij die laten

doorstralen in het werk. Sociaalagogische werkers staan voor de volgende kernkwaliteiten

in hun werk:

- Sociale betrokkenheid: Als sociaalagogisch werker doe je je werk vanuit

een maatschappelijk engagement. Sommigen verwoorden dat met ‘met mensen

werken’, anderen met ‘willen bijdragen aan een betere samenleving’. Jij vindt dat alle

mensen recht hebben op een goede kwaliteit van leven, dat zij vanuit hun eigen levensvisie

hun leven kunnen bepalen, ook al zijn zij gehandicapt, hebben zij gezondheidsproblemen

of leven zij in een achterstandssituatie.

- Empathie: Als beroepskracht kun je je inleven in de situatie van de cliënt en

ben je in staat hun kwaliteiten, talenten te zien en te waarderen. Je benadert hen

met respect en je kunt schakelen tussen verschillende culturen, leefstijlen en generaties.

Je straalt een culturele sensitiviteit uit. Je weet hun vertrouwen en sympathie te

winnen en deze vast te houden in probleemsituaties.

- Assertiviteit: Je hebt een goede antenne voor verbale en non-verbale signalen

in de omgangstaal. Jij hebt een goed gevoel voor verhoudingen en je eigen positie

hierin. Je kunt goed inschatten welke wensen van cliënten belangrijk zijn en

waar je grenzen moet stellen. Je hebt ook een goed gevoel voor verhoudingen met

leidinggevenden en collega’s. Je weet je eigen normen en waarden goed in te schatten

en de grenzen te bewaken.

- Representativiteit: Als beroepskracht heb je een positieve en professionele

uitstraling naar cliënten, collega’s en beroepskrachten van andere organisaties. Je

vertegenwoordigt je werkeenheid naar buiten en weet je als beroepskracht met een

eigen identiteit en ethiek te presenteren. Je staat voor je vak en bent kritisch naar

vakgenoten en organisaties waar het gaat om het behouden van beroepsnormen en

kwaliteit.

- Integriteit: Als beroepskracht hanteer je de algemeen geldende ethische

normen en houd je je aan de beroepscode. Daardoor weten cliënten zich veilig bij

jou en weten zij dat persoonlijke informatie in vertrouwde handen is. Je bent betrouwbaar

in het nakomen van afspraken, gaat zorgvuldig om met informatie van

cliënten, de organisatie en derden. In samenwerking met andere disciplines weet je

je beroepscode te handhaven.

 

De beroepscode is een leidraad, geen kant en klare oplossing

Bovengenoemde kernkwaliteiten leiden in je werk tot een bepaald beroepshandelen.

In de code zijn vanuit die kernkwaliteiten een aantal gedragsregels geformuleerd.

Zij bieden een richtlijn. Je morele bewustzijn wordt in de praktijk van de

beroepsuitoefening het scherpst aangesproken wanneer je voor een dilemma komt

te staan, een situatie waarin je uit meerdere mogelijkheden moet kiezen. Bijvoorbeeld

adviseren het kind uit huis te plaatsen of bij de ouders laten. In een dilemma

moet je kiezen uit mogelijkheden die geen van allen ideaal zijn en ieder problemen

met zich meebrengen. Kan de beroepscode je daarbij helpen?

De code is geen receptenboek, dat je uit de kast kunt halen om een antwoord te vinden.

De beroepscode geeft aan welke waarden in een situatie belangrijk zijn, maar is

heel algemeen geformuleerd. De beslissing hoe te handelen moet je als werker zelf

nemen. Jij bent de deskundige. Je kunt steeds nagaan welke artikelen in de beroepscode

eventueel op een specifieke situatie van toepassing zijn. Het is raadzaam met

collega’s in de vorm van intervisie te overleggen of het probleem in een multidisciplinair

verband of teamvergadering aan de orde te stellen. In veel instellingen is er

sprake van een instellingsgebonden overleg of een ethische commissie.

Bij dilemma’s in je werk is meestal sprake van verschillende aspecten o.a. methodische,

theoretische en morele. Zij spelen door elkaar heen. De beroepscode geeft aan

hoe je vanuit je morele perspectief het dilemma kunt benaderen. Daarbij zijn onderstaande

vragen belangrijke richtingwijzers:

1 Wat is precies de situatie, wat is het morele aspect in dit dilemma en voor wie?

2 Welke handelingsmogelijkheden heb je als beroepsbeoefenaar in die situatie?

3 Welke waarden/principes spelen voor jou een rol in deze situatie?

4 Wat zijn de voor-en nadelen van deze handelingsmogelijkheden voor de

betrokkenen?

5 Wat is voor jou/jullie de rangorde in waarden/beginselen en in de positieve

en negatieve gevolgen? Wat weegt het zwaarst?

6 Stel dat je zelf in de situatie van cliënt zou verkeren, hoe zou je dan willen dat er

gehandeld wordt?

(principe van wederkerigheid: Wat gij niet wilt dat u geschied, doe dat ook een

ander niet)

7 Zou je andere cliënten op dezelfde wijze behandelen? (principe van gelijkheid)

8 Wat zegt de beroepscode in deze situatie?

 

De rol van Phorza in de verdere ontwikkeling van de beroepscode

De beroepsvereniging Phorza wil in de ontwikkeling van de beroepscode en in het

ondersteunen van het moreel beraad tussen de sociaalagogische werkers een centrale

rol spelen. Dat wordt geconcretiseerd door op de interactieve website van

Phorza een platform te bieden waar werkers hun concrete dilemma’s uit de

beroepspraktijk kunnen inbrengen en op elkaar kunnen reageren. Ook biedt Phorza

een beroepsethische helpdesk, die een advies kan geven. Bij ieder artikel uit de beroepscode

staan op de website steeds concrete voorbeelden van dilemma’s uit de

beroepspraktijk. Werkers worden uitgenodigd hierop te reageren en zelf nieuwe dilemma’s

in te brengen. Scholen en opleidingen kunnen de editie van de beroepscode

met deze concrete dilemma’s gebruiken voor scholing en training in beroepsethische

vaardigheden. Op deze wijze zal de beroepscode zich verder ontwikkelen

vanuit de werkervaring van de werkers.

Toelichting op de indeling van de beroepscode4

De indeling van de beroepscode bestaat uit vijf delen. Deze indeling is gebaseerd op

de relaties, die de sociaalagogisch werker onderhoudt. Met name in de relaties

komen de morele kwaliteiten en vaardigheden naar voren:

1 Uitgangspunten met betrekking tot de beroepsuitoefening.

 

2 De sociaalagogisch werker in relatie met de cliënt.

3 De sociaalagogisch werker in relatie met collega’s en andere dienstverleners.

4 De sociaalagogisch werker in relatie met werkgever, directie en de instelling.

5 De sociaalagogisch werker in relatie met de samenleving.

 

Formulering van de artikelen: In de artikelen staat wat je van jezelf als een sociaalagogisch

werker mag verwachten. Daarvoor gebruiken wij: “Als sociaalagogisch werker

doe ik……”. Daarna volgt “Dat betekent met name:” De opsomming is beperkt,

waardoor er ruimte is om de beroepscode ook in meer dan de genoemde situaties

toe te passen.

 

4 In de code worden personen in de mannelijke vorm aangesproken. Uiteraard wordt daarbij ook de vrouwelijke persoon bedoeld)

 

Deel 1: Uitgangspunten met betrekking tot de beroepsuitoefening

De kernkwaliteiten zoals die beschreven staan in de preambule worden hieronder uitgewerkt in concrete handelingsprincipes. Met name: sociale betrokkenheid, deskundigheid, culturele sensitiviteit, gelijke behandeling en rechtvaardigheid, respect voor de autonomie van cliënt en representativiteit worden hier geconcretiseerd.

 

1.1. Als sociaalagogisch werker bevorder ik dat de cliënt, in wisselwerking

met zijn omgeving, tot zijn recht komt.

Dat betekent met name:

- dat ik “de cliënt centraal” als uitgangspunt neem in mijn handelen.

- dat ik er voor waak dat mijn deskundigheid niet wordt gebruikt voor

belangen die in strijd zijn met de doelstelling van mijn beroep.

- dat ik alleen diensten en handelingen verricht binnen de grenzen van mijn

deskundigheid.

 

1.2. Als sociaalagogisch werker oefen ik mijn functie uit op basis van actuele

kennis en recente inzichten over de beroepsuitoefening.

Dat betekent met name:

- dat ik regelmatig deelneem aan deskundigheidsbevordering, zo mogelijk

conform de voorwaarden die worden gesteld aan de inschrijving in het

Beroepsregister BAMw.

- dat ik mijn vakliteratuur bijhoud.

- dat ik zonodig deelneem aan super/intervisiebijeenkomsten. Ik ben immers

zelf het belangrijkste instrument in de beroepsuitoefening.

 

1.3. Als sociaalagogisch werker verdiep ik mij in de culturele achtergrond en

de bijbehorende normen en waarden, die het gedrag van mijn cliënt

beïnvloedt.

Dat betekent met name:

- dat ik mij realiseer dat de toenemende culturele verscheidenheid een

grotere culturele sensitiviteit van mij vraagt, voor zover noodzakelijk voor

mijn beroepsuitoefening.

 

1.4. Als sociaalagogisch werker toon ik ten aanzien van iedere cliënt een

gelijke bereidheid hem te helpen.

Dat betekent met name:

- dat ik geen ongerechtvaardigd onderscheid maak op grond van ras,

etniciteit, nationaliteit, seksuele geaardheid, geslacht, godsdienst,

handicap, chronische ziekte, levensovertuiging of politieke overtuiging.

- dat ik respecteer dat iedere cliënt op basis hiervan, binnen de grenzen van

de wet, zijn leven vorm geeft.

 

1.5. Als sociaalagogisch werker sluit ik in mijn werk aan bij de

zelfredzaamheid van de cliënt en stimuleer deze.

Dat betekent met name:

- dat ik niet overneem wat de cliënt zelf kan op het terrein van wonen,

werken en vrije tijd.

- dat ik ook niet de bijdrage van de mantelzorg van de cliënt overneem, tenzij

deze kennelijk wordt overvraagd.

 

1.6. Als sociaalagogisch werker draag ik er zorg voor dat mijn gedrag zowel

in de beroepsuitoefening als in de privésfeer het aanzien en het

vertrouwen in het beroep bevordert.

 

1.7. Als sociaalagogisch werker ben ik persoonlijk verantwoordelijk voor

mijn eigen beroepsmatig handelen.

Dat betekent met name:

- dat ik bereid ben daarover verantwoording af te leggen.

- dat ik de verantwoordelijkheid voor mijn handelen niet kan overdragen aan

collega’s.

 

Deel 2: De sociaalagogisch werker in relatie met de cliënt

Zelfbeschikking is een belangrijke waarde in het leven van mensen, vooral in de zorg

waar mensen door problemen in hun zelfredzaamheid afhankelijk worden van professionals.

De sociaalagogisch werker zal die afhankelijkheid nooit ten koste laten gaan van

de eigen verantwoordelijkheid van de cliënt bijvoorbeeld in de omgang met verstandelijk

gehandicapten, demente ouderen. Informatie verschaffen, overleggen en toestemming

vragen zijn belangrijke vaardigheden in het respecteren van de eigen

verantwoordelijkheid van de cliënt.

 

2.1. Als sociaalagogisch werker toon ik respect voor de persoon van de

cliënt, voor diens identiteit en eigen verantwoordelijkheid.

Dat betekent met name:

- dat ik in mijn zorg aan de cliënt de zorg van een goed hulpverlener in acht

neem en handel overeenkomstig de op mij rustende verantwoordelijkheid,

voortvloeiende uit deze beroepscode en uit de voor de sociaalagogisch

werker geldende professionele standaarden.

 

2.2. Als sociaalagogisch werker verleen ik mijn diensten aan de cliënt in de

context van een professionele relatie.

Dat betekent met name:

- dat ik de cliënt vooraf informeer, in een voor hem duidelijke taal, over het

doel en de risico’s van de diensten die ik zal aanbieden en hem wijs op de

mogelijke alternatieven.

- dat ik de cliënt informeer over de kosten van deze diensten en de eventuele

mogelijkheid deze vergoed te krijgen.

- dat ik de cliënt informeer over zijn rechtspositie: het recht op bescherming

van de persoonlijke levenssfeer, het recht op inzage en afschrift van zijn

dossier en het recht op behandeling van klachten.

- dat ik mij ervan overtuig dat de cliënt de verstrekte informatie heeft

begrepen en ruimte laat om vragen te stellen en om de aangeboden

diensten te weigeren.

 

2.3. Als sociaalagogisch werker overleg ik bij het opstellen van een

behandel- of dienstverlenings- of activiteitenplan met de cliënt en vraag

dienstinstemming.

Dat betekent met name:

- dat ik niet begin met de uitvoering van het plan zonder instemming van de

cliënt, tenzij ik werk binnen een gedwongen kader. (zie 2.10)

- dat ik tijdens de uitvoering van het plan overleg met de cliënt.

 

2.4. Als sociaalagogisch werker overleg ik met de vertegenwoordiger van de

cliënt indien deze niet of niet geheel in staat is zelf zijn wil te bepalen.

Dat betekent met name:

- dat ik eerst probeer met de cliënt zelf te overleggen.

- dat ik mij wend tot de wettelijke vertegenwoordiger indien dat overleg niet

voldoet.

- dat ik, indien er geen wettelijk vertegenwoordiger is, de naaste familie of

contactpersoon betrek in het overleg.

 

2.5. Als sociaalagogisch werker span ik mij in om met de cliënt een goede

werkrelatie op te bouwen en te onderhouden.

Dat betekent met name:

- dat ik respect toon voor de seksuele identiteit van de cliënt en mij onthoud

van seksuele avances en seksueel getinte opmerkingen.

- dat ik alleen een werkrelatie met de cliënt onderhoud en geen vriend

schapsrelatie, geen liefdesrelatie en evenmin een seksuele relatie aan ga.

- dat ik, indien één van deze relaties toch dreigt te ontstaan, mijn werkrelatie

met de cliënt beëindig en er zorg voor draag dat een collega de

dienstverlening voortzet.

- dat ik geen geld of geschenk aanneem van een cliënt dat meer is dan een

symbolisch gebaar van dank.

 

2.6. Als sociaalagogisch werker onthoud ik mij van machtsmisbruik ten

aanzien van de cliënt

Dat betekent met name:

- dat ik geen misbruik maak van de afhankelijke positie van de cliënt.

- dat ik in situaties van dwang, drang of bemoeizorg mij blijf inspannen voor

een evenwichtige en respectvolle relatie met de cliënt.

 

2.7. Als sociaalagogisch werker laat ik duidelijk weten aan de cliënt wanneer

ik niet aan zijn wensen kan voldoen.

Dat betekent met name:

- dat ik de grenzen van mijn vakgebied bewaak

- dat ik met de cliënt overleg hoe op een andere wijze aan zijn wensen kan

worden voldaan.

- dat ik, indien nodig, de cliënt help met het leggen van contact met een

andere dienstverlener.

 

2.8. Als sociaalagogisch werker leer ik en span ik mij in om uitingen van

agressie bij de client zoveel mogelijk te voorkomen en onderling

bespreekbaar te maken.

Dat betekent met name:

- dat ik aan de cliënt, die toch agressief optreedt, duidelijk laat merken dat

dergelijke uitingen in woord en gebaar niet worden geaccepteerd.

- dat ik de cliënt wijs op de mogelijk negatieve gevolgen voor de voortzetting

van de hulpverlening.

 

2.9. Als sociaalagogisch werker span ik mij binnen mijn instelling in voor het

voeren van een beleid dat gericht is op het voorkomen van en het

reageren op uitingen van agressie door cliënten.

Dat betekent met name:

- dat ik mij inzet voor de ontwikkeling van een instellingsbeleid over het om

gaan met agressie.

- dat ik als sociaalagogisch werker uitingen van agressie van cliënten bij de

leidinggevende meld en aandring op een reactie van de instelling in de

richting van de cliënt en in ernstige gevallen eveneens in de richting van

politie en justitie.

 

2.10. Als sociaalagogisch werker in een setting waarin ik volgens de wet over

dwangmiddelen of beperkende maatregelen zoals afzonderen,

separeren, isoleren, straffen, vasthouden of vastbinden beschik, pas ik

deze middelen en maatregelen uitsluitend toe als laatste middel om

gevaar voor de cliënt, voor anderen of voor zichzelf af te wenden

conform de voorschriften die binnen de instelling gelden.

 

Vertrouwelijkheid

Respect voor privacy, intimiteit en seksualiteit is een belangrijke waarde van de sociaalagogisch

werker. Privacy is de persoonlijke vrijheid van de cliënt, de mogelijkheid om

zich terug te trekken en alleen te zijn. Privacy betreft de intimiteit van het eigen lichaam

of de intimiteit van de eigen ruimte. Privacy kan ook te maken hebben met de mondelinge

en schriftelijke en digitale informatie die tussen cliënten en werkers wordt gewisseld.

 

2.11. Als sociaalagogisch werker ga ik zorgvuldig om met informatie over de

cliënt.

Dat betekent met name:

- dat ik geen informatie over de cliënt verstrek aan anderen, tenzij de cliënt

daarvoor toestemming geeft.

- dat ik tegenover naasten geheim houd wat mij in vertrouwen is verteld of

wat mij ter kennis is gekomen en waarvan ik kan begrijpen dat het

vertrouwelijk van aard is.

- dat ik de cliënt vooraf informeer als ik met andere professionals die in de

zelfde dienstverlening aan de cliënt betrokken zijn, informatie over de cliënt

met hen deel, voor zover dat nodig is voor een goede dienstverlening.

- dat ik me niet ontheven voel van de plicht tot geheimhouding door de uit

sluitende toestemming van de cliënt. Zij dient namelijk ook het algemeen

belang en die van het beroep.

- dat ik in uitzonderlijke gevallen mijn zwijgplicht mag verbreken indien ik

een conflict ervaar tussen mijn plicht tot geheimhouding en mijn plicht om

ernstige schade voor de cliënt of een ander te voorkomen.

- dat ik zonder toestemming persoonsgegevens verstrek aan de wettelijk ver

tegenwoordiger(s) van een cliënt die nog geen 16 jaar oud is, of die wilson

bekwaam moet worden geacht. Verstrekking aan de wettelijk

vertegenwoordiger(s) blijft achterwege voor zover deze verstrekking, naar

het oordeel van mij als sociaalagogisch werker in strijd is met

zwaarwegende belangen van de cliënt.

 

2.12. Als sociaalagogisch werker respecteer ik de privacy van de cliënt.

Dat betekent met name:

- dat ik niet onaangekondigd de ruimte waarin de cliënt zich bevindt

binnenga.

- dat ik er voor zorg dat persoonlijke gesprekken met de cliënt buiten het

gehoor van anderen plaats vinden.

- dat ik de persoonlijke eigendommen van de cliënt respecteer.

 

2.13. Als sociaalagogisch werker ga ik op verantwoorde wijze om met

verslaglegging van gegevens van de cliënt in het (digitale)dossier.

Dat betekent met name:

- dat ik alle gegevens die van belang zijn voor de geboden dienst vastleg in

het dossier.

- dat ik de gegevens zo beschrijf dat er geen persoonlijke

vooringenomenheid in doorklinkt, dat ze zakelijk en feitelijk van aard zijn.

- dat ik diagnoses alleen vastleg indien zij door een deskundig bevoegd

persoon zijn gesteld met vermelding van naam en datum.

- dat ik de gegevens pas vastleg indien zij doorgesproken zijn met de cliënt.

Is dat (nog) niet mogelijk en is vastlegging gewenst, dan wordt uitdrukkelijk

vermeld dat dit nog niet doorgesproken is.

- dat ik er voor zorg dat de gegevens niet toegankelijk zijn voor

onbevoegden.

- dat ik de cliënt of diens vertegenwoordiger wijs op de mogelijkheid tot

inzage in en het verkrijgen van een afschrift van de vastgelegde informatie

over de cliënt.

- dat ik feitelijke, persoonlijke gegevens over de cliënt aanpas indien de cliënt

of zijn vertegenwoordiger daarom vraagt.

 

Sociaalagogisch werk in de jeugdzorg

Binnen de jeugdzorg krijg ik als sociaalagogisch werker te maken met dilemma’s, waarbij

ik verschillende waarden tegenover elkaar moet afwegen bijvoorbeeld: bevorderen

van zelfstandigheid van minderjarige tegenover de zorg voor de veiligheid. Er zijn

steeds meerdere verantwoordelijkheden aan de orde o.a. die van de ouders of van de

minderjarige. Daarbij zijn risico’s soms moeilijk in te schatten. Enerzijds wil ik vraaggericht

werken en uitgaan van de wensen van de cliënt(en), anderzijds moet ik soms directief

handelen op basis van juridische grondslag of ondertoezichtstelling en bemoeizorg.

Ook is het vaak moeilijk om een goede balans te vinden tussen betrokkenheid en

distantie, om duidelijk de professionele grenzen te stellen.

 

2.14. Als sociaalagogisch werker in de jeugdzorg respecteer ik de positie en de

primaire verantwoordelijkheid van de ouders voor de opvoeding van het

kind en de groeiende zelfstandigheid van de minderjarige.

Dat betekent met name:

- dat zowel de ouder als de minderjarige cliënt zijn.

- dat, indien door de rechter het gezag van de ouders op enigerlei wijze

beperkt wordt, ik de ouder blijf respecteren in de rol van ouder en binnen de

wettelijke kaders naar mogelijkheden zoek om deze ouderrol vorm te

geven.

 

2.15. Als sociaalagogisch werker overleg ik in het kader van

opvoedingsondersteuning, vrijwillig en in een gedwongen, justitieel

kader met de ouders én de minderjarige op welke wijze professionele

hulp kan worden geboden.

Dit betekent met name:

- dat indien door de rechter het gezag van de ouders is ingeperkt door een

ondertoezichtstelling, of hen is ontnomen door een ontheffing of een

ontzetting, ik de rol van de ouders blijf respecteren.

- dat ik ouders en minderjarige stimuleer om actief mee te werken aan de

uitvoering van de ondersteuning om de situatie te verbeteren en de

professionele hulp zo mogelijk overbodig te maken.

- dat ik verschillen in normen en waarden en omgangsvormen met de ouders

respecteer binnen de normen en waarden van mijn professie en voor zover

deze niet in strijd zijn met de belangen van de minderjarige.

 

2.16. Als sociaalagogisch werker in de jeugdzorg houd ik bij het uitoefenen

van mijn beroep rekening met de leeftijd van de minderjarige.

Dat betekent met name:

- dat ik in geval van een cliënt tot 12 jaar mij wend tot de wettelijke

vertegenwoordigers van de cliënt voor de uitoefening van cliëntrechten.

- dat ik in geval van een cliënt vanaf 16 jaar mij wend tot de cliënt zelf voor

de uitoefening van zijn cliëntrechten.

- dat ik in geval van een cliënt tussen 12 en 16 jaar mij wend tot de cliënt en

de wettelijke vertegenwoordigers gezamenlijk voor de uitoefening van de

cliëntrechten.

- dat ik bij een cliënt onder de 12 jaar toestemming vraag aan zijn wettelijke

vertegenwoordiger of aan mijn cliënt vanaf 12 jaar voordat ik

persoonsgegevens aan een ander verstrek. Ik leg uit waarom en aan wie de

gegevens verstrekt worden.

- dat ik in geval van een cliënt vanaf 16 jaar mij wend tot de cliënt zelf

voordat ik persoonsgegevens aan een ander verstrek. Ik leg uit waarom en

aan wie de gegevens verstrekt worden.

- dat ik in geval van een cliënt tussen 12 en 16 jaar mij wend tot de cliënt en

de wettelijke vertegenwoordigers gezamenlijk voordat ik

persoonsgegevens aan een ander verstrek. Ik leg uit waarom en aan wie de

gegevens verstrekt worden.

 

2.17. Als sociaalagogisch werker bespreek ik bij een vermoeden dat een cliënt

betrokken is bij kindermishandeling, kinderporno of huiselijk geweld dit

met de cliënt en de mogelijke betrokkenen.

Dit betekent met name:

- dat ik probeer helderheid te krijgen over mijn vermoeden in overleg met

mijn cliënt.

- dat, indien mijn vermoeden blijft bestaan, ik dit meld bij het Advies en

Meldpunt Kindermishandeling (AMK) of aan het Advies en Steunpunt

Huiselijk Geweld (ASHG), ook indien ik voor het doen van deze melding

geen toestemming krijg van mijn cliënt of zijn wettelijk

vertegenwoordigers.

- dat ik over het doen van een dergelijke melding met een deskundige

collega of een leidinggevende overleg bij voorkeur op basis van de

voorschriften die voor deze melding binnen de instelling gelden.

 

Sociaalagogisch werk binnen de activiteitensector

Ook binnen de activiteitensector kom ik als sociaalagogisch werker voor dilemma’s te

staan bijvoorbeeld een balans zoeken tussen het individuele belang en dat van de

groep. Ik moet mijn tijd en energie verdelen Een ander dilemma is de afweging tussen

zelfstandig laten functioneren en teveel beschermen. Rondom activiteiten en

werk treedt regelmatig de spanning op tussen enerzijds productiviteit en anderzijds sociale

omgang en gezelligheid. Arbeid en activiteiten zijn mogelijkheden om zo maatschappelijk

mogelijk te functioneren ook al wordt dit door de samenleving niet altijd

gewenst bijvoorbeeld verstandelijk gehandicapten in de winkel of restaurant.

 

2.18. Als sociaalagogisch werker zorg ik er voor dat het activiteitenaanbod

wordt afgestemd op de vraag van de cliënt(en).

Dat betekent met name:

- dat ik in samenwerking met de cliënt het activiteitenplan ontwikkel.

- dat ik weet te verantwoorden hoe dit een bijdrage levert aan het

begeleidingsplan.

- dat ik een evenwicht vind tussen het afgesproken plan en de veranderende

cliëntvraag.

- dat ik een goede balans zoek tussen werkzaamheden zelf uitvoeren en

anderen inschakelen.

- dat ik bij een moeilijke communicatie toch blijf zoeken naar manieren om

de behoefte van de cliënt helder te krijgen.

- dat ik mij onthoud van activiteiten die slechts het persoonlijk belang van de

beroepskrachten dienen.

 

2.19. Als sociaalagogisch werker draag ik zorg voor de veiligheid van mijn

cliënten.

Dat betekent met name:

- dat ik de nodige maatregelen neem om eventuele schadelijke gevolgen of

mogelijke gevaren van materiaal of gereedschappen te voorkomen.

- dat ik de voorschriften van de Arbo-wet in acht neem.

- dat ik balans zoek tussen stimuleren en gedrag sturen en de

veiligheidsrisico’s goed inschat.

 

2.20. Als sociaalagogisch werker bevorder ik dat de cliënt zo maatschappelijk

mogelijk functioneert.

Dat betekent met name:

- dat ik via betaalde en onbetaalde arbeid de cliënt zoveel mogelijk stimuleer

te functioneren in maatschappelijke verbanden.

 

Deel 3: De sociaalagogisch werker in relatie met collega’s en

andere dienstverleners

Waarom samenwerken? Omdat dit nodig is voor een optimale dienstverlening aan

cliënten. Kwaliteit leveren begint bij samenwerking. Dat is de belangrijkste morele

reden voor onderling overleg, uitwisseling van gegevens en resultaten. Collegialiteit is

een vanzelfsprekende solidariteit onder beroepsgenoten. Als sociaalagogisch werker

heb ik een goed gevoel voor onderlinge verhoudingen. Daarbij representeer ik de eigen

werkeenheid naar collega’s en andere dienstverleners. Ik sta voor je eigen vak en ik ben

kritisch naar vakgenoten waar het gaat om handhaven van beroepsnormen en kwaliteit.

 

3.1 Als sociaalagogisch werker werk ik samen met collega’s om de cliënt een

optimale dienstverlening te geven.

Dat betekent met name:

- dat ik mijn deskundigheid, ervaring en visie deel met andere betrokken

beroepsgenoten.

- dat ik mij inzet voor een open overleg en gedeelde besluitvorming met

collega’s.

3.2 Als sociaalagogisch werker lever ik een bijdrage aan het

multidisciplinaire overleg met het oog op een goede dienstverlening.

Dat betekent met name:

- dat ik respect toon voor de specifieke bijdrage van andere disciplines.

- dat ik probeer de verschillen van mening op een constructieve en

respectvolle manier op te lossen

- dat ik vertrouwelijke gegevens van cliënten inbreng voor zo ver nodig voor

een goede dienstverlening.

- dat ik er op mag rekenen dat het multidisciplinaire team zich gebonden

weet aan de zwijgplicht.

 

3.3 Als sociaalagogisch werker ben ik bereid samen te werken met stagiaires

en vrijwilligers.

Dat betekent met name:

- dat ik in onderling overleg met hen de werkzaamheden op elkaar afstem.

- dat ik er voor zorg dat de kwaliteit van de dienstverlening volgens de

normen van de instelling gehandhaafd blijft.

- dat ik zorg draag voor een veilige werk/leersituatie.

- dat ik begeleiding geef bij het ontwikkelen van een goede beroepshouding

en leer de beroepscode als leidraad te gebruiken.

- dat ik eindverantwoordelijke blijf voor hun werkzaamheden.

 

3.4 Als sociaalagogisch werker ben ik bereid mijn eigen opvattingen

tegenover beroepsgenoten ter discussie te stellen en elkaar kritisch te

bevragen.

Dat betekent met name:

- dat ik mij kwetsbaar durf op te stellen.

- dat ik assertief ben in het stellen van grenzen naar collega’s.

- dat ik kritiek op collega’s niet uitspeel over de hoofden van de cliënten

heen, maar rechtstreeks bespreek met collega’s.

- dat ik de cliënt bescherm tegen eventuele onethische of incompetente

dienstverlening van collega’s door deze daarop aan te spreken.

- dat ik bij een niet bevredigende oplossing contact opneem met mijn

leidinggevende.

 

3.5 Als sociaalagogisch werker ben ik in staat om beroepskrachten uit

andere disciplines constructief aan te spreken op hun

verantwoordelijkheid en feedback van anderen open te ontvangen.

Dat betekent met name:

- dat ik de verantwoordelijkheid voor de uitvoering deel met andere

professionals en precies aangeef waarop ik aanspreekbaar ben.

- dat ik knelpunten in de samenwerking, die nadelig zijn voor de cliënt

onmiddellijk bespreekbaar maak.

 

3.6 Als ik als sociaalagogisch werker vermoed dat het belang van een cliënt

en/of het vertrouwen in het beroep ernstig wordt geschaad door een

collega binnen dezelfde instelling, zal ik dat in overleg met die collega

en/of andere deskundigen aan de orde stellen. Leidt dat niet tot een

bevredigende oplossing, dan meld ik dat aan een lid van de directie of

van de raad van bestuur van de instelling.

 

Deel 4: De sociaalagogisch werker in relatie met werkgever,

directie en instelling

De meeste contacten tussen de sociaalagogisch werker en de cliënten spelen zich af in

een face-to- face situatie. Dat deze contacten meestal ingebed zijn in een groter organisatorisch

verband krijgt vaak minder aandacht. Toch speelt die omgeving, de instelling

of organisatie, met alle netwerken een grote rol. De sociaalagogisch werker staat voor

een waardevolle organisatie d.w.z. een organisatie die zich bewust is van de waarden

en normen die een goede dienstverlening mogelijk maken. Die waarden en normen

komen naar voren in de beleidsvisie, het personeelsbeleid, spanning tussen commercie

en goede dienstverlening, moreel beraad en de instellingscode, ruimte voor intercollegiaal

overleg/intervisie, het omgaan met klachten.

 

4.1 Als sociaalagogisch werker werk ik mee aan het beleid van de instelling.

Dat betekent met name:

- dat ik de organisatie als kader voor mijn beroepsuitoefening aanvaard.

- dat ik mij goed op de hoogte stel of het inzetten van deskundigheid in

overeenstemming is met de doelstelling van mijn beroep.

 

4.2 Als sociaalagogisch werker zie ik er op toe dat de uitvoering van het

beleid overeenkomt met de kwaliteitsnormen uit mijn beroepsode.

Dat betekent met name:

- dat ik de directie wijs op eventuele spanningen tussen het gevoerde beleid

en de gevolgen voor de cliënten.

- dat ik de directie kenbaar maak dat ik in de uitvoering van het beleid niet in

kan gaan tegen mijn beroepscode.

 

4.3 Als sociaalagogisch werker verstrek ik aan de directie gegevens en

informatie voor het te voeren beleid en ben ik bereid verantwoording af

te leggen over mijn beroepshandelen.

 

4.4 Als sociaalagogisch werker in een leidinggevende functie binnen de

instelling evalueer ik regelmatig het werk met mijn medewerkers.

Dat betekent met name:

- dat ik grote waarde hecht aan onderling overleg om de kwaliteit van de

dienstverlening te toetsen.

4.5 Als sociaalagogisch werker bewaak ik mede of de kwaliteit van de

dienstverlening van de instelling voldoende wordt gewaarborgd.

Dat betekent met name:

- dat ik mij kritisch uitlaat naar collega’s en directie bij onvoldoende kwaliteit.

- dat ik bij eventuele stiptheidsacties, werkonderbrekingen of stakingen altijd

bereid blijf de noodzakelijke dienstverlening te waarborgen.

 

Deel 5: De sociaalagogisch werker in de relatie met de

samenleving

De sociaalagogisch werker staat voor een samenleving waarin mensen recht hebben op

een goede kwaliteit van leven, ook als zij gehandicapt zijn, ziek zijn of leven in een achterstandsituatie.

Die sociale betrokkenheid wil hij graag uitstralen als

beroepsgroep, als instelling/organisatie en als professional. Hij is zich bewust dat de

samenleving die sterk gericht is op commercieel succes, snel zaken doen, niet altijd

staat te springen op aandacht voor mensen, die niet zo snel meekunnen zoals geestelijk,

lichamelijk en maatschappelijk gehandicapten. Sociaalagogisch werkers zijn bij uitstek

de beroepsgroep die binnen die samenleving opkomt voor hun belangen

en kwaliteit van leven en voor het participeren in de maatschappij op het terrein van

wonen, werken en vrije tijd.

 

5.1 Als sociaalagogisch werker ondersteun ik de activiteiten van de

beroepsgroep om voorwaarden te scheppen voor een goede

beroepsuitoefening.

Dat betekent met name:

- dat ik meewerk aan acties om het imago van het beroep te verbeteren.

- dat ik de beroepsvereniging ondersteun om het werk inhoudelijk te

verbeteren door onderzoek, publicaties en acties.

- dat ik de totstandkoming van rechtvaardige sociaaleconomische

arbeidsvoorwaarden voor de beroepsgroep ondersteun.

- dat ik ruimte maak voor beroepsontwikkeling.

 

5.2 Als sociaalagogisch werker ondersteun ik maatschappelijke activiteiten

die gericht zijn op de emancipatie van geestelijk, lichamelijk en

maatschappelijk gehandicapte mensen.

Dit betekent met name:

- dat ik meewerk aan onderzoeken die dit beogen.

- dat ik vanuit mijn professionele deskundigheid meewerk aan voorlichting

op dit gebied.

 

Dankwoord

Alle leden en bestuursleden, bedankt voor het bijdragen aan de totstandkoming van

de beroepscode en het tuchtrecht reglement.

 

In het bijzonder, Jan Ebskamp bedankt voor je inzet, kennis en gedrevenheid en

Lydia Janssen voor je deskundige oordeel.

 

Namens,

Hans Nieukerke

Voorzitter Phorza